Water in mn mond, mijn speekselklieren op volle toeren, het samentrekken van mijn wangen met kaakkramp als gevolg. Het klinkt niet fijn, maar ik ben er dol op: Citroenen. Verslaafd aan zelfs. Ik heb ze altijd in huis. Ze maken bijna alles lekkerder. Een gebakken visje even afblussen met wat sap, wat rasp door het deeg van de appeltaart, of een uitgeperste, zo puur met water, op een warme dag.

Citroen is een van de fijnste smaakmakers die er is en heeft tal van toepassingen. Uiterst duurzaam in gebruik bovendien, want je kunt alle onderdelen van deze vrucht gebruiken. Zo is het sap lekker zuur en ideaal voor het marineren en zelfs deels garen van vis en vlees. Verder maakt een scheutje citroensap in combinatie met een beetje suiker een stoofpotje lekker vol van smaak. Een paar druppels sap in de pan als je rijst kookt, maakt de rijst witter dan wit en ook appeltjes verkleuren niet tot nauwelijks na ingesmeerd te zijn met het sap van de citroen. Als puur ingrediënt is het vruchtensap ook lekker fris door een dressing voor de sla en samen met pasta, peper, parmezaan en room een goddelijke combinatie voor een troostgerecht. Om meer sap uit je citroen te halen, rol je hem stevig heen en weer onder druk van je handen, je kunt hem ook even verwarmen in de magnetron.

Dan de schil, alleen het geel alsjeblieft, het wit is mij te bitter. Zo gruwel ik ook van marmelade met stukjes schil maar dit terzijde. De schil dus, ik verkies rasp van de microplane rasp boven de grovere schilletjes die een zesteur oplevert. De smaak is vluchtiger, verfijnder en lichter. Bij het raspen spatten de bolletjes vocht van de gele vrucht in je gezicht en er komt een overweldigend aroma vrij. Het raspsel kan overal in. In zoete gerechten, patisserie vooral, compenseert het frisse van de citroen het zoete van de suiker of het romige van de room of boter. Een saaie cake tulk je op met een beetje citroenrasp bijvoorbeeld.